Lading zekeren: welke wetgeving geldt in Nederland?

T
Geschreven door Thomas van Ool
13 min
Lading zekeren: welke wetgeving geldt in Nederland?

De belangrijkste regel voor lading zekeren staat in artikel 5.18.6 van de Regeling voertuigen. Die schrijft voor dat je lading op zijn plek blijft bij hard remmen, plotseling uitwijken en rijden over een slecht wegdek. De wet legt ook vast welke krachten je zekering minimaal moet kunnen opvangen. Dat geldt voor elk voertuig, van bestelbus tot vrachtwagen. In deze blog lees je wat de wet precies eist, wie er verantwoordelijk is, hoe er gecontroleerd wordt en wat een overtreding kost.

Welke wet geldt voor het zekeren van lading?

In Nederland staat de basisregel in artikel 5.18.6 van de Regeling voertuigen. Lading moet zo zijn gezekerd dat die onder normale verkeerssituaties niet van het voertuig kan vallen en de stabiliteit van het voertuig niet in gevaar brengt. Onder normale verkeerssituaties vallen volgens de wet ook een volle remming, een plotselinge uitwijkmanoeuvre en een slecht wegdek. Een noodstop is dus geen excuus als je lading gaat schuiven.

Hetzelfde artikel bevat nog een paar aanvullende regels. Losse lading die je niet kunt vastmaken, zoals zand, grind of tuinafval, moet je afdekken als er iets kan afvallen of wegwaaien. Daarvoor gebruik je bijvoorbeeld een aanhangwagennet. Spullen die bij het voertuig horen, zoals gereedschap en stuwmateriaal, moeten ook vastzitten. En de middelen waarmee je zekert moeten werken en geschikt zijn voor het doel. Een versleten spanband voldoet dus niet, ook al zit hij er wel omheen.

De regel staat in het deel van de Regeling voertuigen dat voor alle categorieën voertuigen geldt. Hij is dus niet alleen bedoeld voor beroepsvervoer. Rij je met een bestelbus, een personenauto met imperiaal of een aanhanger achter je auto, dan gelden dezelfde eisen. De middelen om daaraan te voldoen vind je in ons assortiment ladingzekering.

Wet, richtlijn of norm?

Over ladingzekering circuleren veel regels en afkortingen. Ze hebben niet allemaal dezelfde status:

Soort regel Voorbeeld Wat betekent het?
Nederlandse wet Art. 5.18.6 Regeling voertuigen Bindend voor iedereen die in Nederland rijdt
Europese richtlijn Richtlijn 2014/47/EU Kader voor wegkantcontroles van vrachtwagens, bussen en zware aanhangers
Technische norm EN 12195-1 Rekenmethode voor vastzetkrachten, geen wet op zich
Europees richtsnoer Richtlijnen voor goede praktijken van de Europese Commissie Praktische aanbevelingen, niet bindend
Branchestandaard EUMOS 40509 en 40511 Standaarden van een Europese brancheorganisatie, deels genoemd in de EU-richtlijn

EUMOS wordt vaak aangehaald alsof het Europese wetgeving is. Dat klopt niet: EUMOS is een onafhankelijke Europese organisatie die standaarden voor veilig transport ontwikkelt. Een aantal daarvan wordt in de Europese controlerichtlijn genoemd, maar dat maakt EUMOS geen wetgever.

Aan welke krachten moet je lading voldoen?

Artikel 5.18.6 schrijft niet voor hoeveel spanbanden je moet gebruiken. Het is een prestatie-eis: de combinatie van voertuig, laadwijze en zekeringsmiddelen moet minimaal deze krachten kunnen opvangen.

Richting Minimale kracht Bij 1.000 kg lading
Naar voren 0,8 × het gewicht 800 kg
Opzij 0,5 × het gewicht 500 kg
Opzij bij kantelgevaar 0,6 × het gewicht 600 kg
Naar achteren 0,5 × het gewicht 500 kg

Daarnaast moet de lading zo vastzitten dat die ook door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen, bijvoorbeeld bij een verkeersdrempel of een kuil in de weg.

De kracht naar voren is het hoogst, omdat je bij hard remmen de grootste krachten op je lading krijgt. Vraag je je af in welke richting lading niet mag verschuiven: de wet stelt in elke richting een minimum, dus je zekering moet rondom kloppen. De kolom met 1.000 kg is een vereenvoudigde vertaling om de verhoudingen duidelijk te maken. Hoeveel en welke zekeringsmiddelen je echt nodig hebt, hangt ook af van wrijving, sjorhoek en de vorm van je lading. Daarvoor is de rekenmethode uit EN 12195-1 bedoeld.

Wie is verantwoordelijk voor het zekeren van de lading?

Volgens artikel 5.1.2 van de Regeling voertuigen mag de bestuurder niet rijden met een voertuig dat niet aan de eisen voldoet, en mag de eigenaar of houder dat ook niet laten gebeuren. Als chauffeur ben je dus altijd aanspreekbaar, ook als iemand anders heeft geladen.

De Inspectie Leefomgeving en Transport legt de verantwoordelijkheid in de praktijk bij twee partijen. De verlader zorgt dat de lading zo is verpakt en geladen dat die veilig vervoerd kan worden. De chauffeur controleert de lading voor vertrek en tijdens de rit.

In Europese praktijkrichtlijnen worden daarnaast de verpakker, verzender en vervoerder genoemd als schakels in de keten. Dat zijn aanbevelingen, geen wettelijke verdeling van boetes. Wie er bij schade financieel aansprakelijk is, is een aparte vraag. Dat hangt af van de vervoersovereenkomst, de vervoersvoorwaarden en wie welke taak had.

Voor beroepschauffeurs zijn er Code 95-nascholingen over ladingzekering. Dat is een opleiding, geen aparte wettelijke regel: de eisen aan de lading zelf blijven die van artikel 5.18.6.

Hoe wordt ladingzekering gecontroleerd?

De politie is de reguliere controleur. Tijdens verkeers- en transportcontroles kan de politie de chauffeur, het voertuig, de lading en de ladingzekering bekijken.

De ILT controleert niet specifiek op ladingzekering, maar neemt het mee bij controles op bijvoorbeeld overbelading en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Is de zekering niet in orde, dan moet je die eerst herstellen voordat je verder mag rijden. Dat kost je naast een eventuele boete ook tijd.

Sinds 20 mei 2018 is ladingzekering bovendien onderdeel van de Europese technische wegkantcontrole, op basis van Richtlijn 2014/47/EU. Die richtlijn geldt voor vrachtwagens en aanhangwagens zwaarder dan 3,5 ton en voor bussen. De bijlage van de richtlijn noemt EN 12195-1 als norm waarmee de ladingzekering wordt beoordeeld. Lidstaten mogen ook lichtere bedrijfswagens controleren. Voor een bestelbus of aanhanger achter je auto blijft artikel 5.18.6 in alle gevallen de regel.

Wat is de boete voor slecht gezekerde lading?

Er is niet één boete voor lading die niet goed vastzit. Het bedrag hangt af van wat er precies mis is en met welk voertuig je rijdt. Enkele feitcodes die bij ladingzekering horen:

Feitcode Overtreding
P060a Spullen die bij het voertuig horen, zoals gereedschap of stuwmateriaal, zitten niet goed vast
P061 Losse lading is niet afgedekt terwijl die kan afvallen of wegwaaien
P062 Een wissellaadbak, afneembare opbouw of laadstructuur is niet goed vastgezet
P063 Het vastzetsysteem werkt niet of is niet geschikt

Voor de meeste van deze overtredingen kan de boete oplopen tot rond de €500, bij een niet geschikt of niet werkend vastzetsysteem (P063) tot rond de €260. Voor lichtere voertuigen liggen de bedragen lager. Daar komen €9 administratiekosten bij. De bedragen worden jaarlijks aangepast: het exacte actuele bedrag vind je in de Boetebase van het Openbaar Ministerie.

Veroorzaakt slecht gezekerde lading letsel of schade, dan wordt het niet meer afgehandeld met een standaardboete en kan het een strafzaak worden.

Steekt je lading verder uit dan is toegestaan, of ontbreekt de verplichte markering, dan is dat een aparte overtreding met eigen regels. Hoe ver lading mag uitsteken lees je in onze blog over uitstekende lading.

Wat betekenen EN 12195-1, EN 12195-2 en EN 12195-3?

EN 12195 is een Europese normenreeks voor het vastzetten van lading op wegvoertuigen. De drie delen die je het vaakst tegenkomt:

EN 12195-1 beschrijft hoe je de benodigde vastzetkrachten berekent. Hiermee bepaal je bijvoorbeeld hoeveel spanbanden je nodig hebt, afhankelijk van het gewicht, de wrijving en de sjorhoek.

EN 12195-2 bevat de eisen voor sjorbanden van kunststofvezels. Alle spanbanden en sjorbanden van BCF-Products voldoen aan deze norm.

EN 12195-3 gaat over sjorkettingen.

Is EN 12195-1 wettelijk verplicht? Niet als zelfstandige wet: de wettelijke eis staat in artikel 5.18.6. Maar de Europese controlerichtlijn noemt de norm bij wegkantcontroles, en bij het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt er in de ADR-regels naar verwezen. Voor professioneel wegtransport is EN 12195-1 daardoor wel de maatstaf waarop je ladingzekering beoordeeld wordt.

Vormsluitend, krachtsluitend en direct zekeren

De wet schrijft geen methode voor, zolang de lading de krachten uit artikel 5.18.6 kan opvangen. In de praktijk zijn er drie manieren om dat te bereiken:

  • Vormsluitend zekeren: je blokkeert de lading fysiek, tegen het kopschot, de wanden, andere lading of een ladingstang. Lege ruimtes vul je op met bijvoorbeeld stuwzakken.
  • Krachtsluitend zekeren: je sjort de lading met spanbanden op de laadvloer. De voorspanning drukt de lading tegen de vloer en vergroot de wrijving. Met antislipmateriaal vergroot je die wrijving nog verder.
  • Direct zekeren: sjormiddelen verbinden de lading rechtstreeks met de sjorpunten van het voertuig, bijvoorbeeld in een vliegtuigrail of bindrail, en vangen de krachten zelf op.

Vaak combineer je meerdere methodes. Hoe je ze in de praktijk toepast, welke spanbanden je kiest en waar je per voertuig op let, lees je in onze uitleg over lading vastzetten. Werk je met rails en ladingstangen, lees dan ook welke ladingstang op welke rail past.

Vragen over ladingzekering?

Twijfel je of jouw ladingzekering aan de eisen voldoet, of welke middelen je nodig hebt voor jouw lading? Stuur je vraag naar info@bcf-products.nl of bel 040 843 67 61. Dan helpen onze specialisten je graag verder!

Deze blog geeft een algemene uitleg van de regels en is geen juridisch advies.